(als je met je muis over een plaatje gaat zie je wat voor onderschrift erbij hoort)

 

Ik ben Wolter Wolters en vaar onder Frans Duvel. Maar nu knijp ik hem als een ouwe dief. Met zijn vieren zitten we in onze sloep. De golven kwakken ons op en neer. Ik kan nauwelijks op mijn bankje blijven zitten, maar moet doorroeien.

'Volhouden', schreeuwt Frans Duvel, die ook in het bootje zit. Stuurman Hut moet er voor zorgen dat de kisten en vaten onder het zeildoek blijven. 'Naar stuurboord en langszij', roept Frans. Het lukt. We liggen naast het Engelse schip. Grijpgrage handen nemen de lading over. Dan is het onze beurt. Uit het schip met de Union Jack aan de mast krijgen we kisten en volle zakken aangereikt. Ons bootje lijkt te kapseizen, maar Frans schreeuwt hoe wij de riemen moeten bewegen. 'Wolter!' hoor ik opeens. Stuurman Hut pakt mij vast en tilt me omhoog. Ik bungel tussen de sloep en het Engelse schip. Wel drie paar handen grijpen me. Ik sta op een vreemd dek. 'Well done, boy,' hoor ik. Dan krijg ik een piepklein houten kastje in mijn handen gedrukt. 'Be carefull!' Ik hang weer boven de golven en beland in de armen van stuurman Hut. Hij stopt het kastje onder het zeildoek van de nieuwe lading. Frans tuurt met een kijker de zee af. 'Roeien!' We hangen aan de riemen en maken de sloep even later vast aan ons eigen schip, de Jetskalina Hillegiena. We klauteren aan boord. Vijf minuten later stuiven we met in de wind in de zeilen over de onrustige golven. Het Engelse schip is niet meer dan een stipje aan de horizon.

Frans Duvel als smokkelaar

Fregatstraat, Kofstraat, Schoenerstraat, Galjootstraat, Briklaan, Barkstraat... Straatnamen in de wijk Sorghvliet aan de westkant van Veendam en Wildervank . Ze herinneren aan scheepstypen, die ooit de zeeën bevaren hebben. Stuk voor stuk waren het houten zeilschepen uit de tijd dat er nog geen motoren waren om de schepen vaart te geven. En hoewel in de wijk Sorghvliet nergens zout water te bekennen is, horen al die namen wel terdege bij de geschiedenis van de gemeente Veendam.

Dat had alles met de turf en de turfschipperij te maken. Turf werd niet voor niets het bruine goud genoemd. Overal was er vraag naar. Niet alleen in Groningen, maar ook in de Hollandse steden en zelfs in die in Noord-Duitsland. Voor de turfschippers was er flink wat te verdienen als ze buitengaats durfden te varen. En dat durfden ze! Niet op hun gammele pramen of kleine tjalkjes. Die waren niet zeewaardig. Daarmee konden ze geen Zuiderzee (nu IJsselmeer), Waddenzee, laat staan Noordzee over.

De eerste schepen, die volgeladen met turf, het zeegat uitgingen waren zogenaamde hektjalken, tjalken met een verhoogd dek met reling. Ook de zogenaamde smakschepen hoorden bij de vroegste zeeschepen. Een Smakstraat is er nooit gekomen. Misschien uit vrees voor Veendammers, die niet in een straat met zo’n naam wilden wonen. Toch is er in het grote ruim van dit schip veel turf over zee vervoerd. Maar al te snel was het smakschip niet. Fregatten, schoeners en galjoten waren dit wel. Vooral in Veendam en Wildervank hoorden veel schoeners thuis.
Als schippers ergens een broertje dood aan hebben is het om leeg terug te moeten varen. Dat was vroeger niet anders. Turfschippers die hun lading in Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Emden, Leer, Bremen of Hamburg losten, probeerden hier vracht voor de terugreis te krijgen. Vaak verdienden ze daaraan nog meer dan aan de lading turf op de heenreis. Zo ontstond uit de turfvaart overzee een handelsvaart die er mocht zijn. De kapiteins uit Veendam en Wildervank voeren op de zogenaamde wilde vaart. Er waren geen vaste routes, maar zij voeren naar die haven waar ze vracht konden krijgen en hoopten daar dan weer op een lading voor een andere haven. Hun houten zeilschepen waren niet al te groot. Dat had wel het voordeel dat ze ook rivieren op konden varen en hun lading ver in het binnenland afzetten. Doordat de bemanning niet al te groot was, voer de Veenkoloniale schipper goedkoop, waardoor hij gemakkelijker een lading kon krijgen.

Na een voorzichtig begin, gingen in de achttiende eeuw (1700-1800) steeds meer varenslui uit Veendam en Wildervank het zeegat uit. Zij vervoerden steeds minder turf, maar wel olie, boter, kaas, bier, jenever en zelfs sieraden naar Engelse en Franse havens en naar steden aan de Oostzeekust. Vooral de vaart op de Oostzee werd belangrijk. Hout, graan, levertraan en stokvis vormden hier vaak de retourvracht.

De Engelsen mochten dan de macht op zee hebben, de Veenkoloniale kapitein pikte op zijn kof, galjoot en schoener zijn graantje mee.

Maar na 1795 werd alles anders. De Fransen verjoegen stadhouder Willem V van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Van toen af aan waren zij hier de baas. Tot drie keer toe veranderde ons land van naam en iedere keer nam de Franse invloed toe. Van 1795-1806 was er als Bataafse Republiek nog sprake van een zekere zelfstandigheid, van 1806-1810 was dat als Koninkrijk Holland nauwelijks nog zo en van 1810-1813 had ons land als deel van Frankrijk onder keizer Napoleon zelfs helemaal niets meer te vertellen.

De Fransen waren voortdurend in oorlog met Engeland. Er mochten geen goederen meer worden in- en uitgevoerd. Voor de zeeman braken er beroerde jaren aan. Veel kapiteins durfden niet meer uit te varen en legden hun schepen aan de ketting. Anderen weken uit naar landen die niet in de oorlog betrokken waren en voeren voortaan in Amerikaanse wateren. Maar echte durfallen werden smokkelaar. Kapitein Frans Wilkens was een van de bekendste. Hij hees de blauw-wit-blauwe vlag van een klein Duits landje, het neutrale Kniphausen, aan de mast. In volle zee dreef hij verboden handel met de Engelse vijand. Zo kon er flink verdiend worden, maar het bleef linke soep. Daar konden veel zeelieden uit Veendam en Wildervank over meepraten.

In 1809 werd het smakschip Twee Gebroeders van kapitein Geert Oomkens uit Borgercompagnie door een Engels schip geramd en tot zinken gebracht. De berooide bemanning werd in Engeland aan wal gezet. Het is voorgekomen, dat waaghalzen die zich van de douane aan de Nederlandse kust en de Engelse vijand op zee niets aantrokken en bleven doorvaren, tot drie keer toe hun schip verloren. Doordat zij geld voor hun nieuwe kof of schoener hadden moeten lenen, waren ze straatarm geworden. Alleen als smokkelaar op zee konden ze er weer bovenop komen.

Maar het kon nog erger. Een jonge kapitein uit Veendam werd door een Engels oorlogsvaartuig aangevallen en gedwongen om met de bemanning zijn schip te verlaten. Ze werden in Engeland in de boeien geslagen en zouden in de gevangenis verdwijnen. Maar gelukkig was de vrouw van de kapitein meegereisd. Zij huilde in Engeland zo hartverscheurend dat de ongelukkigen de gevangenis weer mochten verlaten.

Er heerste in deze jaren grote armoede in Veendam en Wildervank. In Veendam werd zelfs aan de Kerkstraat een Armen Werkhuis opgericht, waar berooide zeelieden zonder huis en haard een dak boven het hoofd kregen en de maag konden vullen. Extra collectes op straat en in de kerk moesten de ergste nood lenigen. Toen de Fransen in 1813 verdreven werden, werd er dan ook uitbundig feest gevierd.


KLIK HIER OM TE ZIEN WAAR DIT VERHAAL ZICH HEEFT AFGESPEELD
KLIK HIER OM DIRECT NAAR DEEL 19 TE GAAN: 
Arm en ellendig, 1812