Nut'tig
leren
voor iedereen,
226 jaar Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
29
maart t/m 29 augustus 2010

Bij de tentoonstelling is het boek Leerzaame Prentjens
voor de Jeugd verschenen en in de museumwinkel verkrijgbaar

|
Het
Veenkoloniaal Museum nam van het Nationaal Onderwijsmuseum te
Rotterdam de reizende expositie ‘Nut’tig leren voor iedereen’, over.
Deze tentoonstelling werd op 4 april 2009 door H.K.H. prinses
Laurentien in Rotterdam geopend en was daar tot en met 29 augustus
te zien.
Het Nut heeft
zich in afgelopen twee eeuwen onder andere ingezet voor het geven
van volksonderwijs, het opleiden van onderwijzers en
onderwijzeressen, het stichten van volksbibliotheken en het
oprichten van spaarbanken. Mede dankzij initiatieven van het Nut
werd basisonderwijs bereikbaar voor iedereen. Leren lezen, schrijven
en rekenen en een ‘deugdzaam’ en spaarzaam leven leiden moesten voor
het ‘gewone’ volk mogelijk worden. Een samenleving met ‘nuttige’
burgers was steeds het doel van de Maatschappij tot Nut van ‘t
Algemeen. Ook in onze regio waren en zijn diverse Nut verenigingen
actief.
De Nutvereniging te Wildervank
behoort zelfs tot één van de grotere in het land.
Oost Groningen is met
departementen in Bellingwolde, Blijham, Gieten e.o.,
Hoogezand-Sappemeer, Meeden, Nieuwe Pekela, Noordbroek, Oude Pekela,
Vlagtwedde, Wildervank en Winschoten landelijk bezien nog rijk bezaaid
met Nutsdepartementen. De oorsprong van het Nut ligt in Noord Holland.
In die tijd (eind 18de eeuw) bracht sociale betrokkenheid een predikant
en enkele eenvoudige klein-stedelingen ertoe om een genootschap te
stichten dat zich richtte op bevordering van het algemeen volksgeluk met
name door initiatieven te nemen op het terrein van de volksontwikkeling.
Het onderwijssysteem was toen in Nederland nog zeer gebrekkig. Een
doopsgezinde predikant te Monnickendam, Jan Nieuwenhuijzen
(1724-1806),
opperde het plan om een genootschap voor volksontwikkeling te stichten.
Het doel was om mensen die daartoe zelf niet de mogelijkheid
hadden, te helpen om kennis te verwerven door hen te voorzien van
(school) boeken die in eenvoudige taal geschreven waren. Dit initiatief
werd concreet uitgewerkt door zijn zoon Martinus Nieuwenhuijzen, arts te
Edam. Hij stelde voor om een genootschap te stichten met als
doelstelling “de verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der
jeugd als de voornaamste grondslag ter vorming, verbetering en
beschaving van den burger”. Tijdens de op 16 november 1784 in de
doopsgezinde pastorie te Edam gehouden oprichtingsvergadering werd deze
doelstelling aanvaard. Besloten werd tot oprichting van een
“Genoodschap van Konsten en Wetenschappen”, onder de zinspreuk: “Tot Nut
van ‘t Algemeen”. In navolging ontstonden later ook andere
departementen. In het begin vooral in Noord Holland, Friesland en
Groningen. Onderwijs speelde daar ook een belangrijke rol.
Bekend was bijvoorbeeld de
Nutsbewaarschool voor jonge kinderen. Later verschoof de aandacht van ‘t
Nut en nu organiseert het vooral lezingen en concerten voor haar leden.
De reizende expositie is aangevuld met bijdragen uit de districten
Noord- en Oost-Groningen. Zo zien we als onderdeel van de
tentoonstelling naast originele 19de eeuwse educatieve Nutsprenten, ook
diverse klassikale schoolplaten, een idee van Berend Brugsma
(1797-1868), de latere directeur van de Nutskweekschool (nu
Hanzehogeschool) in Groningen.
Bij de tentoonstelling is het boek Leerzaame Prentjens voor de Jeugd verschenen en in de museumwinkel
verkrijgbaar. |