de glans van het Bruine Goud

Het bruine goud... Zo werd de turf wel genoemd. Turven waren gedroogde kluiten veen, die gestookt werden. Om aan hout te komen werden er ook vroeger al heel veel bomen gekapt. Kolen, olie, gas en kernenergie waren nog onbekend. Daarom was turf een uitkomst. In dat sjompie-sjompieland ontstonden dorpen als Veendam, Wildervank,  Borgercompagnie, Tripscompagnie, Korte Akkers, Kibbelgaarn, Ommelanderwijk, de Zuidwending en Wildervanksterdallen. Veenkoloniën waren het, langgerekte dorpen in het veen. Veertig kinderen die hier ooit leefden zagen met hun eigen ogen wat er in de loop van de eeuwen gebeurde.

Als je met je muis een plaatje aanwijst zie je wat voor onderschrift erbij hoort !

> verder > >

.

.

.

Jager van het Everzwijn

Mijn naam is
Jager van het Everzwijn
!!

7000 V.Chr.

1. De vroegste Veendammers: 7000 voor Christus

Wat een dag! Van nu af aan heet ik Jager van het Everzwijn. Ik ben een echte man. Met mijn eigen handen heb ik het everzwijn gedood. Nooit zullen vader en moeder zeggen dat ik niet meetel, omdat ik te klein ben. Alleen maar geschikt om bessen te plukken en wortels uit de grond te grabbelen. Ik hoor erbij.

Toen ik vanmorgen uit mijn hut sloop en mijn speer, boog en pijlen pakte voelde ik het al: er gaat wat bijzonders gebeuren. Ik zocht de grond af. Bij de stookplaats zag ik ze: afdrukken van zwijnenpoten. Heel voorzichtig sloop ik op mijn tenen van bosje naar bosje achter de sporen aan. Daar zag ik hem. Wat een joekel! Hij was helemaal alleen, net als ik. Niet bang zijn, flitste het door mijn hoofd. Ik pakte een pijl en spande mijn boog. Niet bewegen..., niet bewegen... Ik beet op mijn tanden, hield mijn adem in en schoot... Raak! Morsdood! Ik rende terug naar het kamp ‘Een zwijn! Een zwijn! Ik schreeuwde het uit. Oudere jagers sleepten mijn buit naar de stookplaats.
Vader legde de hand op mijn schouder. ‘Van nu af aan heet je Jager van het Everzwijn', zei hij.

Jagerskampen onder het veen

Het zou in Wildervanksterdallen gebeurd kunnen zijn, heel lang geleden. Zo'n kleine 10.000 jaar geleden leefden hier rondtrekkende jagers, die het op zwijnen, reeën en pelsdieren gemunt hadden. Na 1970 zijn de eerste sporen van jagerskampen ontdekt: stukjes vuursteen die bewerkt waren. Een nagebouwd jagerskamp in het Veenkoloniaal Museum in VeendamDaarom worden de vroegste bewoners van Veendam wel het volk van de kleine steentjes genoemd. Van vuursteen maakten ze kleine spitsen, pijlpunten, krabbers, schrabbers en mesjes. Daarmee konden ze schieten, slachten, huiden afkrabben en hout bewerken. Ze bleven net zo lang in het jagerskamp als er met jagen, vissen en het zoeken van bessen, noten, kruiden en andere vruchten wat te halen viel. Daarna verlieten ze het kamp weer en trokken verder. Alleen de stenen voorwerpjes die ze achterlieten zijn duizenden jaren later ontdekt. Net als de resten van hun stookplaatsen, de haardkuilen. Verder is alles van Veendams allervroegste bewoners vergaan. Die heel vroege Veendammers leefden in het stenen tijdperk. Want veel meer dan stenen overblijfselen zijn er niet gevonden. Hout, huiden en voedsel zijn allemaal vergaan. De tijd van de jagerskampen noemen we de Midden Steentijd (9000-5000 v. Chr.). Daarvóór was er de Oude Steentijd, maar daarvan is er in en rond Veendam zo goed als niets Jagers uit de Midden Steentijd in hun kamp in Wildervanksterdallen op een plaat van Geert Schreuderteruggevonden. Het is maar de vraag of er hier toen wel mensen leefden. Het was erg guur en onaangenaam. Eerst toen het warmer werd kwamen de jagers en vissers. Zij leefden in een golvend heuvelland. Een heerlijk landschap met bomen, plassen en meertjes. Van 9000 v. Chr. tot 5000 v. Chr. zwierven de jagers, vissers en voedselverzamelaars in dit luilekkerland. Veen was er toen nog niet. Dat ontstond pas na 5000 v. Chr., toen het almaar natter en natter werd. Bomen, struiken en bloemen gingen dood en vielen omlaag, in de nattigheid.

Onder water was er geen lucht. Langzaam veranderde de plantenbrij in een moerassige grondsoort: het veen. En die sjompige veenlaag werd almaar dikker, wel meters dik. De zwervende jagers trokken toen weg.
In de Nieuwe Steentijd (5000-1800 v. Chr.), toen de eerste boeren graan verbouwden en vee hielden, was het hier zo onbegaanbaar geworden dat er nauwelijks mensen konden wonen.
Prehistorie wordt de tijd genoemd, waarin de mensen nog niet konden lezen en schrijven. De allervroegste Veendammers uit de prehistorie waren dus de zwervende jagers, vissers en voedselverzamelaars: het volk van de kleine steentjes. Archeoloog John Smit bij een haardkuil

Archeologen weten veel van die vroege bewoners. Met schoppen, boren, zeven en vergrootglazen zoeken ze de grond af. Het was voor de archeologen een geluk dat het A.G. Wildervanckkanaal van Veendam naar Mussselkanaal verlengd werd. Tussen 1982 en 1997 hadden ze alle kans om in het boerenland, waar het kanaal doorheen moest stromen, te graven.
In Wildervanksterdallen, op een oude zandrug, deden ze een reuzenvondst. Honderden haardkuilen en nog veel meer kleine wapens en gereedschappen van vuursteen maakten duidelijk dat heel veel jagers hun kamp hier hadden opgeslagen. Vooral tussen 7600 v. Chr-6500v. Chr. Het kleine Wildervanksterdallen was in één keer beroemd geworden.

Wildervanksterdallen

De cirkel op het plattegrondje hiernaast geeft ongeveer de plek aan waar dit verhaal heeft plaatsgevonden.

.

.

.

.

.

volgende deel