Vervening

Wording van de Veenkoloniën
Omstreeks 5500 v Chr. werd het klimaat in Europa aanmerkelijk natter. Grote delen van wat we nu de veenkoloniën noemen, werden door slechte afvoer van water, onbewoonbaar. De veengroei nam in de daaropvolgende jaren steeds toe. Uiteindelijk ontstonden overal in West - Europa grote veengebieden. In Nederland raakten diverse delen van het land bedekt met veen. In het noord - oosten van Nederland ontstond een groot aaneengesloten veengebied; het Bourtanger Moor. Mensen betraden dit gebied nog wel om te jagen en voedsel te verzamelen, maar van langdurige bewoning was geen sprake meer. Er werden er in het mysterieuze moeras soms (mensen) offers gebracht. Deze kennen we nu als veenlijken. Enkele van deze veenlijken zijn in het Drents museum te Assen te bezichtigen.

Betreden van het gebied was overigens niet overal onmogelijk. Hogere zandruggen boden passagemogelijkheden door het moeras. Bovendien verliep de veengroei niet altijd even snel. Soms waren er langdurige perioden van droogte waardoor het gebied weer beter toegankelijk was en zelfs berken en dennen weer de kans kregen om te groeien. In natte perioden stierven de tijdens drogere perioden ontstane bossen weer af. In de vroege middeleeuwen strekte het veengebied van het Bourtanger Moor zich uit van de stad Groningen tot voorbij Winschoten en van Winschoten tot voorbij Emmen.

Het gebied werd ten oosten begrensd door de zandruggen van het Emsland en Westerwolde. Laatstgenoemde zandrug lag als een schiereiland midden in het veen. Ten westen werd het enorme veengebied begrensd door de Hondsrug. Wanneer de omwonenden het veen voor het eerst als brandstof gingen gebruiken is niet bekend. Wel weten we dat men al in de Romeinse tijd wist dat droog veen als brandstof was te gebruiken. 
In de vroege Middeleeuwen werd er overal in Nederland al gebruik gemaakt van turf, het gedroogde en in blokken gestoken veen. Hout begon als brandstof steeds zeldzamer te worden en turf kreeg een steeds grotere economische waarde. Het werd niet voor niets het 'bruine goud' genoemd. Eerst werden veengebieden dicht bij de (Hollandse) steden vergraven. Dit waren vooral laagveengebieden waar men turf moest baggeren.

Door deze baggerwerkzaamheden ontstonden vele meren. Sommige meren, zoals bijvoorbeeld het Haarlemmermeer en de Vinkeveenseplassen werden door afslag tijden voor- en najaarsstormen steeds groter en vormden zelfs een bedreiging voor de omliggende plaatsen.  De Hollandse steden gingen daarom op zoek naar nieuwe veengebieden. Deze werden o.a. gevonden in de kop van Overijssel en in Friesland. Voor een deel vergroef men ook hier laagveenmoerassen. (Giethoorn, Beulakker, Belter en Eernewoude) 
 
In Friesland werd door jonkheer Van Vegeling een nieuwe manier van turfgraven geïntroduceerd om hoogveengebieden te vergraven. Eerst werden de hoogveengebieden ontwaterd door middel van een systeem van greppels en sloten. 
 
Was het gebied voldoende ontwaterd dan konden de kanaalgravers komen. Zij legden een systeem van wijken en kanalen aan. Heerenveen, Gorredijk en Noordwolde ontstonden zo als lintdorpen langs een veenkanaal.  
  
Het systeem van wijken en kanalen bleek enorm succesvol. In 1599 sloegen de Friezen hun vleugels uit naar Groningen. Zowel in wat we nu Oude Pekela noemen als Hoogezand en Sappemeer gingen Friese compagnieën aan de slag. Voor 1599 werd er overigens ook al turf gestoken in de Groninger Veenkoloniën. Bewoners van omliggende dorpen op de hogere zandgronden zoals Roswinkel en Onstwedde, staken turf voor eigen gebruik.  
 
Daarnaast waren kloosterlingen actief in het veen. Zo bezat de abdij van Aduard een groot stuk veen ten oosten van het Zuidlaardermeer. Het plaatsje De Groeve dankt haar naam aan deze turfgraverij.
Turf speelde toen al economisch gezien een grote rol. Door toenemende bevolking en welvaart was er steeds meer vraag naar brandstof. Turf was in toenemende mate ook de brandstof van de steenbakkerijen. Het aantal steenbakkerijen nam in de Middeleeuwen steeds toe. De brandgevaarlijke houten huizen werden immers steeds vaker vervangen door bakstenen huizen. Bovendien werden steeds meer kerken gebouwd met baksteen. Veengebieden in Groningen profiteerden van deze ontwikkeling.

In 1268 kwam de bisschop van Utrecht persoonlijk de kapel te Wolfsbarge, liggende in het veengebied van de abdij te Aduard, inwijden. De bisschop dacht bepaald niet negatief over dit gebied. In zijn enthousiasme noemde hij de kolonie Hortus Sancti Bernardi, de tuin van Sint Bernhardus.

Grote concurrent in de strijd om het bruine goud, zo als turf ook wel werd genoemd, was de stad Groningen. Ten noorden van de bezittingen van de kloosterlingen waren de stad Groningers aan het turfgraven in wat ze "De Vrijheid van Groningen" noemden. (Omgeving Kropswolde / Foxhol.)

In 1342 verbood de stad Groningen de abdij van Aduard erven en renten te verwerven in dit gebied.

Na 1599 kwamen de kloosterbezittingen in bezit van de provincie. De stad Groningen wist ook diverse stukken veen te verwerven. Soms was de Stad lachende derde. Nieuw gevormde compagnieën hadden het als pioniers vaak financieel erg moeilijk.

De aanleg van de infrastructuur om het gebied te vergraven (wijken en kanalen), kostte handen vol geld. Maar al te graag nam Groningen veengebieden van in financiële nood verkerende ondernemers over. Deze ondernemers mochten op een soort pachtbasis verder werken. Een deel van de te vergraven turf was voor de stad Groningen.

De ondergrond (zandgrond) van de vergraven gebieden bleef eigendom van de Stad. Het mes sneed voor Groningen overigens aan meerdere kanten.

Kanalen, wijken en bruggen in deze gebieden waren ook stadsbezit. Bovendien werd alle turf via de Stad getransporteerd. Groningen overheerste het veengebied dus volledig. Van 1599 tot het midden van de 20e eeuw trokken duizenden arbeiders van heinde en verre naar de veengebieden om te werken. Als er toentertijd (16e tot eind 19e eeuw) inderdaad zo'n bittere armoede heerste in de venen, zoals we dat heden ten dage zo graag voorstellen, waren ze bepaald niet naar het gebied getrokken.

Boekschrijvers en journalisten vergeten maar al te graag dat er eeuwen lang WEL geld te verdienen was in de venen. Nee onze voorouders waren niet gek. In de Veenkoloniën lag een kans om beter bestaan op te bouwen, beter dan in de geboortestreek. Pas in het midden van de 19e eeuw kwam de klad in de vervening.

Turf moest steeds vaker concurreren met de goedkopere en beter brandende steenkool en cokes. Nieuwe veenproducten zoals turfstrooisel boden deels uitkomst.

In het midden van de 20e eeuw was de winning van turf als brandstof zo goed als voorbij. Wel werd er tot het einde van de jaren '80 nog turfstrooisel geproduceerd in de Drentse Veenkoloniën. Afnemers waren vooral de tuinbouwers in het Westland.

Vanaf de jaren '60 werd ook meer turfstrooisel uit Duitsland aangevoerd. De winning in de aangrenzende Duitse veengebieden gaat nog steeds door. Turfstrooisel wordt nu vooral aangevoerd per coaster en komt uit gebieden als Ierland, Polen, Estland Letland en Litouwen. In het midden van de 19e eeuw nam de turfwinning economisch gezien nog maar een bescheiden plaats in in de Oude Groninger Veenkoloniën. (Hoogezand-Sappemeer, Veendam -Wildervank, Oude -en Nieuwe Pekela en Kielwindeweer.

Volgens een krantenbericht werd in 1856 de laatste turf uit Zuidwending (een buurtschap onder de rook van Veendam) verscheept.

Andere bronnen van inkomsten zoals de binnen - en zeevaart en de landbouw en de landbouwindustrie speelden in de 19e eeuw al een veel belangrijker rol.

Armoede in het veen ontstond pas nadat de vraag naar turf afnam. In de Nieuwe Groninger Veenkoloniën (omgeving Stadskanaal, Musselkanaal, Vledderveen, Terapelkanaal en de Drentse Venen werd eind 19e, begin 20e eeuw nog volop turf gewonnen.

Ook onder Winschoten werd in het Winschoter Zuidveen en bij Midwolda nog turf gewonnen. In de jaren '20 en '30 sloeg de crisis hard toe in het veen. Velen raakten werkloos en talrijke gezinnen woonden in plaggenhutten.

Maar armoede was niet specifiek iets voor de veenkoloniën. Overal in Nederland woonden mensen onder het bestaansminimum. Armoede was er zelfs in Amsterdam volop te vinden. De Jordaan, Haarlemmerhouttuinen en Kattenburg schitterden evenmin door rijkdom.

De techniek van turfwinning

Tijdens de turfwinning werd vanaf de 16e eeuw niet meer zo maar in het wilde weg gegraven.

Voor dat men ging graven werd het gebied al opgemeten en in kaart gebracht. Bovendien begon men van het midden van de 17e eeuw de dikte van het veenpakket te meten.

In de 17e eeuw verscheen zelfs een handleiding voor het turfgraven van Martine Schoockius. Het boekwerkje verscheen in 1658 onder de Latijnse titel Tractatus de Turffis.

Alle gereedschappen gebruikt door de veenarbeider komen in dit in Latijns geschreven boekje aan bod. Het veengebied moest natuurlijk eerst ontwaterd worden. Daarna werd en wijken en kanalen aangelegd die voor verdere ontwatering zorgden en natuurlijk konden dienen voor de afvoer van turf en de aanvoer van allerlei producten waar men in het nieuw ontgonnen gebied behoefte aan had.

Het in de onderliggende zandgrond aangelegde kanaal is op deze foto duidelijk zichtbaar.Het veen werd aan weerszijden van het kanaal trapsgewijs afgegraven zodat een glooiende wand ontstond. Op de voorgrond wordt de turf weggestoken die in het verlengde van het kanaal ligt. Schepen liggen klaar om de gedroogde turf af te voeren.

Schoockius beschrijft onder ander de turfkar, wadder , spade (=opschot, oplegger) en kaarzettersvork, gereedschappen die tot in de 20e eeuw werden gebruikt.

Hoe ging het turfgraven in zijn werk? Eerst werden de bovenliggende zoden en een dunne laag van de bovenste turf, de zogenaamde bonk, verwijderd. Vaak gebruikte men daarvoor een soort hak en de bonkschep. De afgegraven bonk en plaggen werden afgevoerd en bewaard en later vermengd met de onder het veenpakket liggende zandlaag.

Zandgrond vermengd met deze bovenste turf noemde men dalgrond, een grondsoort die uitermate geschikt was voor landbouw. De onder de bonk gelegen veenlagen werden vergraven tot turf.

Met de wadder, later beter bekend onder de naam stikker, werd de turf in grote brokken gestoken. De arbeider met de wadder stond bovenaan en maakte als het ware de vorm van de turf klaar.

Iets lager stond een turfgraver met een opschot of oplegger. Hij stak de brokken turf los en legde ze op e en slagkar. Soms werden de met een opschot los gestoken stukken turf door iemand met een kaarzettersvork op de slagkar gelegd. In de 20e eeuw werd deze tussenstap vaak overgeslagen omdat de kaarzettersvork de turf beschadigde.

veenlijk
Het offeren van een mens in het veen

55
Overzicht van de veengebieden in Noord - Nederland.

img0022
Monniken in het veen

plaggehutten
plaggenhutten in het veen

landmeters
Landmeters in het Vledderveen (Gr.). Foto Van Heijningen Bosch, begin 20e eeuw.

veen

Het in de onderliggende zandgrond aangelegde kanaal is op deze foto duidelijk zichtbaar.Het veen werd aan weerszijden van het kanaal trapsgewijs afgegraven zodat een glooiende wand ontstond. Op de voorgrond wordt de turf weggestoken die in het verlengde van het kanaal ligt. Schepen liggen klaar om de gedroogde turf af te voeren.

opschot   stikker

Opschot en Stikker

turfgravers

Op de voorgrond een turfgraver met een opschot. Turf uit de slag wordt in een 'diek' gelegd. De slagkar staat al klaar. Achter hem arbeiders met een stikker. (Foto Van Heijningen Bosch)

Eenmaal vol werd de slagkar naar een veldje gereden en de turf in een slag gezet. De man die met de slagkar reed kon dit met een handigheidje in één keer doen.

Waren de in een slag staande turfjes droog genoeg, dan werden ze op zogenaamde 'dieken' gezet om na te drogen. De turf werd zo gestapeld dat de wind goed door de turf kon blazen.

Was de turf droog genoeg dan werd ze in zogenaamde vuren en turfbulten gezet en was de turf klaar voor transport. Met een scheepskoare (scheepskruiwagen) werd de turf naar het schip gebracht. Zogenaamde lougsters en tougsters zorgden er voor dat de schepen goed werden beladen. Turfschepen voeren altijd met een deklast.

Diverse musea in de regio besteden aandacht aan de vervening in het Bourtanger Moor.

Naast het Veenkoloniaal Museum vinden we in Nederland het Veenpark te Barger Compascum (0591-324444) en het Industrieel Smalspoormuseum te Erica (0591-303061) met een origineel smalspoor door een hoogveengebied.

Aan Duitse zijde vinden we het Emsland - Moormuseum te Groß Hesepe (00495937-1866 en het Moor- und Fehnmuseum te Elisabethfehn (00494499-2222).

Wie nog verder over de grens wil kan bijvoorbeeld in Ierland terecht. Daar vinden we in de omgeving van Athlone Shannonbridge, de alleraardigste Clonmacnoise & West Offaly Railway.

Ook hier een spoorlijn dwars door een hoogveengebied. (0035390574210)

En natuurlijk is er het Moor und Fehmuseum Elisabethfehn.