Landbouw in de veenkoloniën.

Nadat het veen was afgegraven werd de ondergrond gebruikt voor landbouw. In de veenkoloniën bestonden de kavels uit lange rechte akkers. Deze percelen grensden aan de voorzijde aan het kanaal en aan de zijkanten aan een wijk. Gemiddeld waren de percelen zo'n 150 meter breed en twee tot drie kilometer lang.

Zo gauw als de vervening het toe liet werden er boerderijen op de langgerekte kavels gebouwd. Deze stonden voor aan het kanaal. Achter op het perceel lag vaak nog onvergraven hoogveen. Iets verder naar voren werd vaak op het reeds uitgedroogde veen boekweit verbouwd. Weer meer naar voren verbouwde men granen en op de nattere delen graasden de koeien. 

De boekweitverbouw kwam begin 19e eeuw tot een hoogtepunt. Boekweit werd verbouwd op deels onvergraven, maar al uitgedroogd hoog veen. Om de percelen vruchtbaarder te maken werd het veen in brand gestoken, het zogenaamde boekweitbranden. De as die achter bleef zorgde voor een vruchtbare ondergrond. Het boekweitbranden liep echter vaak uit de hand. De luchtvervuiling was enorm. Tot ver in Duitsland had men last van de verstikkende rook afkomstig van brandend veen in Nederland.

Door het boekweitbranden ontstonden soms ook oncontroleerbare veenbranden die soms maanden ondergronds konden doorsmeulen. Een van de meest gruwelijke veenbranden vond in 1917 te Valthermond (Dr.) plaats. Het schippersgezin Brands liet daarbij het leven en tientallen huizen en boerderijen vlogen in brand.


boeweitbrand


Opkomst van de aardappel...
 
De aardappel werd weliswaar in de 18e eeuw al verbouwd, maar domineerde nog niet het landschap. Pas na het ontstaan van de aardappelzetmeelfabrieken drukte de aardappel een stempel op het uiterlijk van het gebied.
Steeds meer boeren schakelden in de loop der tijd over op de verbouw van aardappelen en verkochten hun koeien. Gras land verdween. Dit had en heeft weer tot gevolg dat in de herfst, winter en het vroege voorjaar, als de percelen nog braak liggen, de braak liggende zandgrond kan gaan stuiven.
In droge en vorstrijke perioden ontstaan soms heuse stofstormen waarbij het zicht soms minder is dan vijftig meter.
 
stofstormStofstorm bij Nieuwe Pekela, herfst 1998. Foto H.A. Hachmer

Met de verandering van bedrijfsvoering veranderden deels ook de bedrijven. De schuur was immers niet meer nodig voor het stallen van vee. In de 19e eeuw veranderde door toenemende welvaart vaak ook het woonhuis. De boeren probeerden vaak in status de woningen van de rijke Oldambster boeren te imiteren.
In houding was er echter een enorm verschil tussen de Oldambster en de Veenkoloniale boer. De afstand tussen arbeider en boer was over het algemeen in de Groninger Veenkoloniën veel kleiner dan in het Oldambster Beerta of Finsterwolde.

Bemesting van de grond vond tot begin 20e eeuw vaak plaats met stratendrek. Stratendrek was afval afkomstig van de grote steden. Huisvuil werd in de grote steden gewoon op straat geworpen. Dagelijks werd dit verzameld en afgevoerd naar een plek buiten de stadswallen, de zogenaamde drekstek.

Drekstekken waren altijd aan water gelegen zodat schepen het afval af konden voeren. De stratendrek werd door de binnenschepen als retourvracht meegenomen uit steden als Gouda, Leiden en Amsterdam . Door de bemesting met stratendrek zijn vele percelen nu nog steeds vervuild met restanten van pijpen, kopjes, schotels, maar ook met zink, teer en lood.
Officieel moesten de steden dit zo veel mogelijk uit het vuil scheiden, maar sommige steden namen het vroeger niet zo nauw. Stalmest was er door het gebrek aan vee in de Veenkoloniën vaak te weinig. In het midden van de 19e eeuw werd er ook steeds meer guano, vogelmest, uit Zuid Amerika geïmporteerd.
Kunstmest brak pas aan het eind van de 19e eeuw door. Vooral K.J. de Vrieze maakte zich sterk voor de introductie van deze mest. Kunstmest werd met argusogen bekeken. De Vrieze strooide in de beginperiode zelfs ' s nachts zijn wondermiddel kunstmest uit om niet te worden bespot.
 
Dankzij vele lezingen en proefvelden van landbouwer A.G. Mulder te Sappemeer die wel in het product geloofde, werd kunstmest uiteindelijk een succes. Een anekdote vertelt dat er meer boeren waren die 's nachts kunstmest strooiden,één boer strooide voor de grap kunstmest uit in de letters KUNSTMEST. Op deze plaats groeide zijn gewas natuurlijk veel hoger en waren zijn directe buren overtuigd.
 
De aardappels die in de Groninger Veenkoloniën worden verbouwd zijn bijna allemaal fabrieksaardappelen Deze aardappelen bevatten een hoog zetmeelgehalte gunstig voor de productie van aardappelzetmeel. Omdat de aardappel zo'n grote rol speelde, speelde de veredeling van aardappelrassen eveneens en grote rol.

Uw verhaal

Heeft u interessante informatie over landbouw in de veenkoloniën? Voeg het hier toe!

Met de verandering van bedrijfsvoering veranderden deels ook de bedrijven. De schuur was immers niet meer nodig voor het stallen van vee. In de 19e eeuw veranderde door toenemende welvaart vaak ook het woonhuis. De boeren probeerden vaak in status de woningen van de rijke Oldambster boeren te imiteren.
In houding was er echter een enorm verschil tussen de Oldambster en de Veenkoloniale boer. De afstand tussen arbeider en boer was over het algemeen in de Groninger Veenkoloniën veel kleiner dan in het Oldambster Beerta of Finsterwolde.

Borgercompagnie
Voorbeeld van een 18e eeuwse boerderij te Borgercompagnie

Borgercompagnie
Voorbeeld van een aan de toenemende welvaart aangepast voorhuis

Bemesting van de grond vond tot begin 20e eeuw vaak plaats met stratendrek. Stratendrek was afval afkomstig van de grote steden. Huisvuil werd in de grote steden gewoon op straat geworpen. Dagelijks werd dit verzameld en afgevoerd naar een plek buiten de stadswallen, de zogenaamde drekstek.
Drekstekken waren altijd aan water gelegen zodat schepen het afval af konden voeren. De stratendrek werd door de binnenschepen als retourvracht meegenomen uit steden als Gouda, Leiden en Amsterdam . Door de bemesting met stratendrek zijn vele percelen nu nog steeds vervuild met restanten van pijpen, kopjes, schotels, maar ook met zink, teer en lood.
Officieel moesten de steden dit zo veel mogelijk uit het vuil scheiden, maar sommige steden namen het vroeger niet zo nauw. Stalmest was er door het gebrek aan vee in de Veenkoloniën vaak te weinig. In het midden van de 19e eeuw werd er ook steeds meer guano, vogelmest, uit Zuid Amerika geïmporteerd.
Kunstmest brak pas aan het eind van de 19e eeuw door. Vooral K.J. de Vrieze maakte zich sterk voor de introductie van deze mest. Kunstmest werd met argusogen bekeken. De Vrieze strooide in de beginperiode zelfs ' s nachts zijn wondermiddel kunstmest uit om niet te worden bespot.
 
Dankzij vele lezingen en proefvelden van landbouwer A.G. Mulder te Sappemeer die wel in het product geloofde, werd kunstmest uiteindelijk een succes. Een anekdote vertelt dat er meer boeren waren die 's nachts kunstmest strooiden,één boer strooide voor de grap kunstmest uit in de letters KUNSTMEST. Op deze plaats groeide zijn gewas natuurlijk veel hoger en waren zijn directe buren overtuigd.
 
De aardappels die in de Groninger Veenkoloniën worden verbouwd zijn bijna allemaal fabrieksaardappelen Deze aardappelen bevatten een hoog zetmeelgehalte gunstig voor de productie van aardappelzetmeel. Omdat de aardappel zo'n grote rol speelde, speelde de veredeling van aardappelrassen eveneens en grote rol.

Geert Veenhuizen was een van de pioniers op het gebied van rasveredeling.
In de Groninger/Drentse Veenkoloniën maakt men dus een duidelijk onderscheid tussen consumptie en fabrieksaardappelen. Het bordje 'Te koop eetaardappelen' wekt bij toeristen soms op de lachspieren. Vaak genoeg horen we in het museum, "alle aardappelen zijn toch om te eten?" Een bord met zetmeelaardappelen zal de toerist echter als culinaire grootheid niet naar de Veenkoloniën lokken. De aardappel is niet te eten.

Nog steeds domineren in de zomermaanden schijnbaar eindeloze aardappelvelden het landschap, maar steeds is de boer op zoek naar nieuwe produkten. Verbouw van aardpeer (begin jaren '50) en verbouw van vezelhennep zijn twee voorbeelden gewassen die (nog) niet het benodigde succes opleverden.
 
De gemanipuleerde aardappel is momenteel 'hot - item'. Voor en tegenstanders vliegen elkaar nog regelmatig in de haren. Momenteel schijnt men nog niet zover te zijn dat men weet wat de eventuele gevolgen zijn voor consumptie. In hoeverre kan ons maag -en darmstelsel over deze produkten. Wat zijn de gevolgen op lange termijn. Ook in de Verenigde Staten wordstelt men met het probleem van gemanipuleerde maïs en granen. Is het een veilig product? De toekomst en onderzoek zal het moeten leren.


 veenhuizen
Geert Veenhuizen aan het werk op een van de proefvelden