Industrie

De landbouwindustrie

Aardappelzetmeelindustrie en (stro)kartonindustrie bepaalden en bepalen nog steeds in sterke mate het beeld van Oost - Groningen. Iedereen herinnert zich de stinkende kanalen, de smeerpijp en de vele stakingen die de landbouwindustrie 'kenmerkten'. Decennia lang was de regio sterk afhankelijk van beide bedrijfstakken. Ontslag van arbeiders of sluiting van een fabriek kwam door deze afhankelijkheid extra hard aan omdat er in de regio vaak geen vervangende werkgelegenheid was.

Bovendien waren diverse toeleveranciers afhankelijk van de landbouwindustrie in de regio. Ging het slecht, dan trok de landbouwindustrie een heel reeks andere bedrijven mee in de misère. Zowel in de jaren '30 als in de jaren '60 en '70 vielen er harde klappen in deze sector.
In de jaren dertig viel bijvoorbeeld door de wereldcrises een groot deel van de export naar Duitsland en Engeland weg. Schaalvergroting, fusie van fabrieken, nieuwe milieumaatregelen en toenemende concurrentie van nieuwe producten speelden na de oorlog een grote rol bij het verdwijnen van fabrieken. Toch heeft de landbouwindustrie ook welvaart gebracht.

De landbouwindustrie, de industrie die landbouwproducten verwerkt werd en wordt in de veenkoloniën gedomineerd door de aardappelzetmeel- en (stro)kartonindustrie. Aardappelzetmeelindustrie Het gebruik van zetmeel in allerlei produkten is al eeuwen oud. Zelfs in Egyptische papyrusrollen is zetmeel verwerkt. Zetmaal valt te halen uit diverse gewassen. Maïs en aardappel zijn bij ons het meest bekend, maar men kan het ook net zo goed uit granen en rijst winnen.
De productie van zetmeel ging tot aan de 18e eeuw vooral handmatig. In de 18e eeuw werd gebruik gemaakt van eenvoudige raspen en zeven. In Duitsland werd onder Frederik de Grote al op grote schaal aardappelzetmeel verwerkt.

De eerste aardappelzetmeelfabrieken in Nederland werden aan het begin van de 19e eeuw in Renkum en Gouda opgericht. De locatiekeuze van deze fabriekslocaties was overigens niet zo gelukkig. Er werden immers geen aardappels in de omgeving verbouwd. In de Groninger Veenkoloniën kwamen allerlei vestigingsfactoren naar voren die wel gunstig waren voor de zetmeelfabrieken.
Er lag een goede infrastructuur, aardappelen wilden goed groeien op de veenkoloniale dalgrond (= zandgrond vermengd met veen), er waren voldoende arbeidskrachten en brandstof voor stoommachines was in de nabijgelegen Drentse Veenkoloniën nog voldoende aanwezig.

De eerste aardappelzetmeelfabriek in Groningen werd in 1836 te Harkstede opgericht door jonkheer Johan Hora Siccema. In 1840 volgde J.A.Boon uit Muntendam. De Belg Dutalis begon op de grens van Muntendam en Meeden met een zetmeelfabriek onder de naam Dutalis & Co. Het werd geen succes. Dutalis hield meer van gokken en mooie vrouwen en joeg al zijn winsten er door.

Succesvol daarentegen was Willem Albert Scholten uit Loenen. Op 18 jarige leeftijd verwerkte hij bij zijn oom Kleiboer te Tonden zijn eerste aardappelzetmeel. In 1839 begon hij met een fabriekje in Warnsveld. Deze brandde echter twee jaar na oprichting af. Daarna zocht hij zijn heil in Groningen. In 1841 werd de eerste fabriek van Scholten aan het Foxholstermeer opgericht. In 1847 trouwde hij met Klaziena Sluis, dochter van een rijke graanhandelaar in Groningen.

Financieel gezien bleek dit huwelijk voor hem een succes. Dankzij een lening van schoonpapa kon Scholten zijn eerste stoommachine voor in de fabriek aanschaffen. Vanaf toen was zijn succes niet meer te stuiten. In 1872 bezat hij negen fabrieken. Het bleef niet bij zetmeel alleen. Scholten bezat ook een eigen scheepswerf, een strokartonfabriek en was grootaandeelhouder van de latere Holland-Amerika lijn.

Scholten was overigens lang niet de enige aardappelzetmeelfabrikant in de regio. Namen als K. & J. Wilkens, D. W. M, Meihuizen - Boon Van Linge & Co en Everts, Hora Adema & Co. klonk voor iedere veenkoloniaal bekend in de oren. Het aantal fabrieken nam na het ontstaan van de coöperaties nog meer toe.
De coöperaties vonden hun oorsprong in de onvrede van de boeren over de prijs die voor de aardappelen werd betaald. Uiteindelijk leidde dit tot de oprichting van eigen boeren fabrieken. De eerste coöperatieve fabriek was De Eersteling te Borgercompagnie. Twaalf jaar later waren er al 22 coöperatieve fabrieken.

Ooit was er in elk dorp in de Veenkoloniën minimaal één fabriek te vinden. Hetzij een strokartonfabriek, hetzij een aardappelzetmeelfabriek, maar vaak van beiden meerdere tegelijk. In het vlakke land bepaalden de fabrieksschoorstenen de skyline van de lintdorpen.
Vanaf 1839 tot nu hebben er meer dan vijftig aardappelzetmeelfabrieken bestaan. Momenteel draaien er nog slechts vier fabrieken onder de naam AVEBE. Ooit was AVB de naam voor 'Coöperatief Aardappelmeel Verkoopbureau', het gezamenlijke verkoopbureau van de coöperatieve fabrieken. Nu produceert men onder de naam AVEBE zelf allerlei zetmeelproducten en derivaten.
Zetmeel wordt overigens in een groot scala van producten verwerkt. Kijk maar eens op de verpakkingen van produkten die je thuis hebt. Het gebruik van zetmeel beperkt zich overigens niet tot de voedselindustrie. Misschien zit er zelfs aan de binnenkant van je beeldscherm wel zetmeel. Kortom zetmeel en de daar van afgeleide derivaten is anno 2000 een veelzijdig product.

(Stro)kartonindustrie

Het schijnt dat meer dan de helft van de Nederlanders denkt dat er in Oost - Groningen nog steeds strokarton wordt geproduceerd. De laatste strokarton werd echter eind jaren '70 geproduceerd. De fabrieken schakelden daarna allen over op de verwerking oud papier. Karton en Kartonnagebedrijf Pekela te Nieuwe Pekela (nu Kappa Twincorr) produceerde al vanaf haar oprichting uitsluitend (golf)karton uit oud papier. De geschiedenis van strokarton begint buiten de Veenkoloniën. De fa. Kuipers en Miedema produceerden vanaf 1867 strokarton te Leeuwarden.
In het aangrenzende Ost- Friesland waren o.a. in Leer en Bunde strokartonfabrieken te vinden. Een deel van het stro afkomstig uit het Oldambt werd in Duitsland verwerkt. Stro was er in het Oldambt, toen nog de graanschuur van Nederland, volop voorhanden. Dankzij de komst van de strokartonfabrieken kreeg het restproduct stro in één keer economische waarde. De eerste strokartonfabriek in de Groninger Veenkoloniën werd in 1869 te Hoogezand opgericht door de heren Hooites en Beukema. Goed voorbeeld deed volgen, want eind 19e eeuw waren er in de Groninger Veenkoloniën al 22 strokartonfabrieken te vinden.

Gelijk de aardappelzetmeelindustrie ontstonden er ook diverse coöperatieve strokartonfabrieken. De meeste strokartonfabrieken waren te vinden in Oude Pekela. Maar liefst zes fabrieken verwerkten hier stro. De strokartonindustrie bracht werk en de bevolking groeide. Tussen 1889 en 1899 nam de bevolking spectaculair toe.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de stroloods van De Kroon gevorderd door de Duitsers. Op de foto worden de pakken door vrachtauto's uit de loods gehaald.

Op de foto: Voor, v.l.n.r.: ?, Jacob Buter, Egbert Schuur, Pieter Vegter, Herman Raatjes, Pieter Sanders, ?, ?.Kuiper. Achter, v.l.n.r.; ?, Max Fruitema (vrachtwagenchauffeur), P. Sinot, J. Engels (met pet), ?, Berend Stuurman, ?, Duitse militair, L. Cornelius, ?, H. Meeter, en H. Fruitema (vrachtwagenchauffeur)

Karakteristiek voor de strokartonindustrie waren de grote stroloodsen waar de grondstof in werd opgeslagen. Soms vond ook tijdelijk opslag buiten plaats. De strohopen waren meters hoog. Opslag was overigens niet zonder gevaar. Denk alleen maar eens aan hooibroei!
De pakken stro werden vanuit de stroloods via een jacobsladder naar een hakselmachine getransporteerd. Deze machine verhakselde de pakken en maakte de stengels kleiner. Het verhakselde stro werd vervolgens omhoog geblazen. Graan korrels bleven zo liggen omdat deze zwaarder zijn. Deze mochten onder geen beding in het productieproces terecht komen omdat het karton dan plakkerig werd.
Haksel werd vervolgens in een bolkoker gestort en vermengd met kalkmelk (ongebluste kalk met water geblust). In de bolkoker werd het product al draaiende gekookt. Het proces van draaien en koken duurde soms wel acht uur. Na het koken ontstond een soort strostof.
Deze stof werd onder grote kollerstenen verder verpulpt. Het fijnvermalen stof werd vervolgens vermengd met water en afgevoerd naar zogenaamde Hollanders. Hierin werd het produkt nog fijner vermalen. Als de Hollanders hun werk hadden gedaan begon de eigenlijke kartonproductie.
De navolgende processen waren er op gericht om rommel, stof en water te verwijderen. Uiteindelijk kwam de pap bij de kartonbaan waar het geheel als het ware tot platen werd gewalst. De strokartonindustrie leverde de karton o.a. aan diverse kartonnagebedrijven die er op hun beurt weer dozen van maakten. Eerst gebeurde dit nog volledig handmatig. Hoeken werden vaak met de linnen beplakt om extra stevigheid aan een doos te geven. Oude hoedendozen geven ons een goed beeld van de ambachtelijke werkwijze.
De mechanisatie was in de kartonnage overigens niet te stuiten. Er kwam dankzij de industriële revolutie steeds meer vraag naar verpakkingsmaterialen die snel en goedkoop gemaakt konden worden.

In de jaren '30 verloor de strokartonindustrie een flink deel van haar afzetmarkt. Stakingen en sluitingen van fabrieken waren het gevolg.
Na de Tweede Wereldoorlog leek de industrie zich te herstellen, maat toenemende concurrentie vanuit het buitenland, concurrentie van nieuwe verpakkingsmaterialen gemaakt van kunststof en verregaande mechanisering hadden een enorme uitstroom van arbeidskrachten tot gevolg. Weer gingen arbeiders op de barricade om werkgelegenheid te behouden.

Meer weten over papier- en karton, surf dan naar www.papierenkarton.org
Op industrieel gebied zijn er diverse musea in Nederland te vinden.
Bijvoorbeeld het industrieelmuseumzeeland

Het Veenkoloniaal Museum beschikt over een model van een strokartonfabriek en een miniatuur kartonbaan.
De oud-voorzitter van het Veenkoloniaal Museum Ir. P. Gruppelaar, een man die afkomstig is uit de kartonindustrie, heeft over het model van de strokartonfabriek een artikel geschreven, dat werd gepubliceerd in de Veenkoloniale Volksalmanak 2001. Onderstaand volgt zijn artikel:

Een mooi object.

Strokartonfabriek ‘Veenkoloniën'

Eén van de speerpunten van het Veenkoloniaal Museum is de kartonindustrie.

In het oude gymnastieklokaal van de HBS wordt een beeld geschetst van de geschiedenis van de kartonindustrie uit de Veenkoloniën. Een centraal object in deze kartonzaal is de maquette van een strokartonfabriek genaamd "Veenkoloniën". Deze maquette is met veel zorg en kennis van zaken gemaakt door de heer H.T.Huizinga. Hij was voorheen papiermaker bij de kartonfabriek ‘de Vrijheid'.

Het is dan ook zeer begrijpelijk dat deze fabriek, die Huizinga door en door kende,als voorbeeld heeft gediend voor zijn prachtige maquette. De maquette geeft een zeer getrouw beeld van een strokartonfabriek zo rond 1940. Als we nu , in het jaar 2000, door een kartonfabriek lopen, dan zien we een totaal ander beeld. We zien nu een moderne, schone, computergestuurde grijskartonfabriek behorende tot de hedendaagse procesindustrie.

Een groter verschil met een strokartonfabriek uit 1940 is nauwelijks denkbaar, zowel wat betreft arbeidsomstandigheden als techniek. Wel is het basisprincipe van de kartonmachine gelijk gebleven, alleen de grondstof stro is vervangen door oud papier. Hierdoor is wel de totale stofbereiding - het aanmaken van de pulp- volledig veranderd.

Terugkomend op de strokartonfabriek ‘de Veenkoloniën' gaat onze bewondering uit naar Huizinga, die de strokartonfabriek tot in detail heeft nagebouwd.

We beginnen bij het zogenaamde ‘hakselhok' waar de binnenkomende pakken stro van het ijzerdraad worden ontdaan en door de hakselmachine tot kleine stukjes van 3-4cm. haksel worden versneden. Via een transportband, ‘Jacobsladder' genaamd, wordt het haksel naar de strozolder of hakselzolder vervoerd. Via gaten in de vloer van de zolder worden grote ronde bollen -bolkokers- met stro gevuld. Door middel van goten wordt hier kalkmelk aan toegevoegd. Voordat de bolkoker met een deksel wordt afgesloten wordt de inhoud krachtig aangestampt om tot een optimale vulling te komen. Na het inlaten van de nodige stoom begint het kookproces van 3 á 4 uur terwijl de koker ronddraait.

De gaar gekookte massa komt dan in de koldermolen. Dit zijn ronde bakken waarin molenstenen ronddraaien. Hier wordt het stro zwaar geplet en uit elkaar gedreven. Vervolgens zorgen de "Hollanders" voor het fijnmalen van de vezels.

Als de pulp fijn genoeg is zodat alleen fijne vezels zijn overgebleven, gaan we naar de kartonmachine. Eerst worden nog aan het begin van de machine de zogenaamde knoten - harde stukjes- eruit gezeefd en dan volgt door middel van zuigen, persen en drogen op de kartonmachine de fabricage van het karton.

Aan het eind van de machine wordt het karton in rollen -voor de dunnere soorten- of in vellen afgevoerd.

Het fascinerende van een kartonfabriek uit die tijd is,dat de complete fabriek werd aangedreven door één stoommachine met een heel groot vliegwiel. Dat is ook heel goed te zien op de maquette. Alle mechanische bewegingen werden door riemoverbrengingen gerealiseerd. In de gehele kartonfabriek uit die tijd stond niet één elektromotor en niet één pomp. Alleen riemoverbrengingen, schepraderen en zwaartekracht stonden de toenmalige werknemers ter beschikking. Zelfs de boormachine en de smidse in de werkplaats werden aangedreven via een ingenieus riemenstelsel vanaf de stoommachine. Huizinga laat ons op voortreffelijke wijze zien hoe nog maar zestig jaar geleden strokarton werd gefabriceerd. Een fantastisch stukje huisvlijt , waarin hij zich tot in details heeft uitgeleefd en zijn grote liefde en vakkennis toont van de kartonfabricage. Het resultaat is een pronkstuk voor ons museum dat in 1985 op het nippertje door ons dankzij de kartonindustrie kon worden aangeschaft.